Vlak bij de Kleine Ring, en de Jacqmainlaan, waarlangs destijds de Zenne in de richting van Mechelen stroomde, stonden tot het einde van de 18e eeuw de "Pesthuysekens". Daar werden de pestlijders geïsoleerd om te vermijden dat ze andere stadsbewoners zouden besmetten.

Tussen 1346 en 1353 bezweken 25 miljoen mensen aan de "Zwarte Dood". In 1466 sloeg de pest opnieuw toe in Griekenland, in 1478 was Venetië aan de beurt. Londen volgde in 1665. Datzelfde jaar werden ook twee Brabantse steden getroffen, Antwerpen en Lier. En van 1667 tot 1670 heerste de pest binnen de wallen van Brussel.

Een aantal mensen kregen knobbels of builen, vooral onder de oksels. Die gezwellen werden zwart en stierven uiteindelijk af. Door de hoge koorts begonnen de pestlijders te ijlen en stierven kort nadien.

'Contagieuse sieckte'
De ziekte was heel besmettelijk en daarom liet het stadsbestuur de pestlijders onmiddellijk afzonderen in "pesthuysekens". Op 7 juni 1668 vaardigde de stad Brussel een uitvoerig reglement uit. "Ordonnantie ende reglement om te beletten den voortganck der contagieuse sieckte".

De wethouders benoemden een "pestmeester". Die moest samen met zijn assistenten de zieken verzorgen en kon daarbij rekenen op de hulp van de cellebroeders, minderbroeders en zwartzusters.

Om aan elke Brusselaar zeer goed duidelijk te maken welke huizen door de pest getroffen waren, deed het stadsbestuur een beroep op een zogenaamde "beeldekens-slaeger". Die plaatsten voor besmette woningen "eenen rooden staeck met den Soeten Naem Jesus", een rode stok met de afbeelding van Christus. Sommige gebouwen werden zelfs volledig met kettingen afgesloten.

De opgesloten pestlijders kregen voedsel van de pestmeester en zijn medewerkers.
Wanneer zij door de straten liepen, rinkelde een knecht met de bel om voorbijgangers te waarschuwen voor mogelijk besmettingsgevaar.

Drastische maatregelen
Maar nogal wat Brusselaars namen het niet zo nauw met de voorschriften. Besmette personen liepen rustig op straat, babbelden met voorbijgangers, gingen naar de mis in een van de Brusselse kerken en deden hun inkopen op de markt.

Daarom trof op 27 juli 1668 de stad drastische maatregelen. De mensen mochten enkel nog 's avonds en 's nachts buiten komen. Geen sprake meer van danspartijen en feesten. De overheid verbood ook de verkoop van komkommers, kolen, pruimen, kersen, frambozen omdat die de ziekte konden bevorderen. Bij de graanhandelaars en de bakkers werd het graan en de bloem in beslag genomen en vernietigd. Hetzelfde gebeurde ook met spek en ander vlees.

Na de dood van een pestlijder werd het lijk vaak begraven in ongebluste kalk. Honden, katten en andere huisdieren die hun baas overleefd hadden, werden afgemaakt en in de Zenne gegooid. De woning van de overledene liet men drie tot zes weken leeg staan. Daarna werden de meubels en huisraad verkocht en het huis gekuist en opgeruimd.

Preventie
Het stadsbestuur trof echter niet alleen maatregelen wanneer de ziekte was uitgebroken. De wethouders besteedden ook aandacht aan preventie. Op vraag van de stad Brussel publiceerde Louis Overdatz in 1668 zijn "Kort verhael van de peste met hare geneesmiddelen voor alle arme verlaten mensen". Daarin kregen de Brusselaars een aantal praktische wenken om gezond te blijven.

Hen werd onder andere aangeraden om slechte lucht te vermijden. Men moest wegblijven van kerkhoven, moerassen en muffe lokalen die te lang gesloten waren. Men mocht niet in de buurt komen van bedorven vlees.

Ook zwartgalligheid was uit den boze. Dokter Louis Overdatz raadde de mensen aan om vrolijk gezelschap op te zoeken en zich te goed te doen aan bier en wijn omdat die het hart van de mensen verblijden.

Raakte men toch besmet dan kon het gebruik van een tegengif op basis van extracten uit padden soelaas brengen. Ook een koffieleper azijn gemengd met een twintigtal ingrediënten zou wonderen kunnen verrichten.

Veel haalde het allemaal niet uit. Tussen 1666 en 1670 stierven in Brussel, een stad die toen zo'n 80.000 inwoners telde, niet minder dan 4.400 mensen aan de pest, waaronder 1.400 kinderen. Meer dan 80 % van de slachtoffers waren armen. Op 7 januari 1670 werd een postume mis opgedragen voor de doden.

Nog tot in de 18e eeuw leefde de herinnering aan deze epidemie in een hymne ter ere van Sint-Goedele. Die heilige zou de Brusselaars beschermd hebben tegen de pest.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Lees meer over: Samenleving

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni